Hieronder de blog voor de actie van Hero Fruitontbijt. Prijs: een reischeque t.w.v. 500 euro! Die kan ik goed gebruiken als ik volgend jaar een jaar ga touren door Europa! Lezers van mijn blog, let op! Dit is de tweede post vandaag -wat niet vaak voorkomt-, dus bij deze een attentie dat je de andere niet vergeet te lezen! *knipoog!*
Langzaam open ik mijn ogen. Naast mij klinkt, zoals iedere morgen, een relaxte Titanic-tune uit mijn mobiel. Ik druk de wekker uit en probeer te wennen aan het licht dat tussen de kiertjes van mijn lamellen door mijn kamer in schijnt. Als ik mijn benen langzaam naast mijn bed laat zakken, staan mijn sloffen al klaar om mijn voeten te ontvangen. En warm te houden. Want het is weer koud in mijn kamer, ijskoud. Als een oud vrouwtje lift ik mezelf uit bed en wandel ik in slow motion de trap af. Koffie. Sterke koffie. Dat is wat er iedere ochtend als eerste door mijn hoofd heen gaat.
‘Moghuh’, hoor ik mijn schorre stem zeggen. ‘Hmm’, mompelt mijn zus-met-ochtendhumeur vanaf de bank. Ik wil het het koffiezetapparaat aanzetten. ‘Verdomme… zorg nou eens dat je een nieuw zakje pads klaarlegt als die andere op zijn’, mompel ik naar mijn zus die net een slok neemt uit haar dampende koffiemok. Zij wel… Ik wrijf in mijn nog opgezette ogen en pak een nieuw zakje pads uit de lade. Okee, misschien ben ik niet de enige met een slechte ochtend-mood. Als het apparaat pruttelt, loop ik automatisch door naar de fuitschaal. Appeldag, besluit ik als ik in de fruitschaal verder alleen maar bruine bananen zie liggen.
‘Schuif eens op’, vraag ik mijn zus beleefd en in de hoop dat ze vandaag haar donderwolk niet boven mijn hoofd laat uitwaaien. ‘Ga dan lekker ergens anders zitten’, krijg ik terug. Zucht… Daar begint het alweer. ‘Ik ben vandaag zo vrolijk, zo vrolijk, zo vrolijk’, zing ik zacht. ‘Koter dat je bent. Het is ook iedere dag hetzelfde liedje’, zegt ze kattig. Ik lach om de dubbelzinnigheid van haar woorden. Ik zie dat zij stiekem ook wil lachen, maar zich niet wil laten kennen. We turen vervolgens doodstil naar het ochtendjournaal. Tijd om te douchen’, besluit ik als de presentator mij een goede morgen heeft gewenst. ‘Moet je doen’.
Ik zet de douche aan en laat het warme water over mijn lange blonde haren vallen. Mam is inmiddels ook wakker en komt de badkamer binnen met slaapstrepen op haar gezicht. ‘Looking good!’, grap ik met een zwoele stem. Ze schud haar hoofd. ‘Kijk eens’, zeg ik. Mam komt voor de beslagen douchecabine staan. Met mijn vinger ga ik langs het glas. ‘De maan is rond, de maan is rond’, zing ik terwijl ik cirkels teken. ‘Hij heeft twee ogen, een neus en een…?’. ‘Mond’, zegt ze bijna onverstaanbaar door het watergeketter heen. ‘Fout, een kont!’. En ik druk mijn billen onder de tekening. ‘Hoe verzin je het toch weer op de vroege morgen?’, glimlacht ze slaperig. ‘Geen idee. Maar gelukkig is er toch nog iemand die een beetje om me kan lachen vandaag’.
Ik ruik verbrand haar. Het is tijd voor een nieuwe fohn, bedenk ik me voor de zoveelste keer. Maar mijn haar is droog. Nog even een zooi plamuur tegen mijn gezicht, mascara op, een borstel door mijn haar en mond en anti-stink onder mijn armen. Ready to go! Oh wacht, welke tas zal ik vandaag gebruiken? De paarse maar. Staat leuk bij m’n nieuwe lila vestje. Sokken, die moet ik ook nog even hebben. Ik loop naar het sokkenmandje in de gang. Nee hè, alweer alleen maar enkele sokken. Dan maar een grijze en een zwarte aan. Hoe laat is het eigenlijk? Shit, nog tien minuten! Ik race door het huis heen en pluk onderweg naar beneden hier en daar de nodige spullen mee.
Ik heb mijn jas aan en ben bezig met het strikken van mijn schoenveters. Mijn zus komt net natte haren de huiskamer in. ‘Schuif eens op’, zegt ze. ‘Ga dan lekker ergens anders zitten’, zeg ik kinderachtig terug. Ze kijkt me nijdig aan. ‘Grapje hoor’, zeg ik, ‘hou je nog van me?’. ‘Nee, nu niet meer’, lacht ze en ze geeft me een dikke kus. ‘Ik ook van jou, vrolijkerd’. Ik grits in mijn zak. ‘Nee hè, waar zijn mijn sleutels nou weer?’ Ik stamp naar boven toe in de hoop dat ze nog in mijn andere tas zitten. ‘Doe nou eens zachtjes. Je bent geen olifant…’, moppert pap vanuit zijn slaapkamer. ‘Ja, ik heb ha-aast!’, brul ik. ‘Het zal ook eens niet zo zijn…’, hoor ik pap in de verte nog zeggen. Gelukkig, ze liggen nog in mijn andere tas. En ik storm weer naar beneden. ‘Ooooh, ik ben te laat!’, roep ik in het niets.
Fisse lucht in mijn longen. Met grote passen loop ik naar de bushalte. Als ik halverwege ben, zie ik in de verte de bus al aan komen rijden. Ik zet het op een rennen. Mijn tas bonkt tegen mijn heup en ik krijg tranen in mijn ogen van de wind. Net als ik de straat oversteek, staat de bus al bij de halte stil. Ik zwaai naar de chauffeur, maar hij ziet me niet. En zo zie ik hoe de deuren sluiten en de bus zijn weg vervolgt. Zonder mij. Het zal ook eens niet zo zijn en ik doe mijn tas open om mijn mobiel tussen de pennen, notitieboekjes en tampons te zoeken. ‘Hoi met Tijne. Ja, het is weer zover. Schenk maar een kopje minder in bij de eerste ronde. Ja, klopt, tot over een half uur. Doeidoei!’. Ik staar naar de grond. ‘Goedemorgen Tijn. Ik zag je rennen, heb je hem nou alweer gemist?’, hoor ik ineens achter me. Het is meneer Put die ik vrijwel iedere morgen tref als hij in alle vroegte zijn hondje uitlaat. Ik glimlach. ‘Tja, iedere ochtend hetzelfde liedje’. En terwijl ik hem nazwaai zet mijn MP3-speler aan.